folder Opgeslagen in Troostkoper
Oom Wim dacht dat wij voor galg en rad op zouden groeien
Bijzondere buren (5)
Suzanne Brink comment 0 reacties access_time 3 min leestijd

De familie Harsveld woonde in ons rijtje in het hoekhuis en bestond net als wij uit vader, moeder, twee dochters, één zoon, en twee cavia’s. Marja was net als ik de oudste dochter en maar één jaar ouder dus werd ik haar allerbeste vriendin, en ontdekte gaandeweg toch verschillen tussen de Harsveldjes en de Brinkjes. 

De verschillen

  • De Harsveldjes gingen net als wij zondags naar de kerk, maar in hun kerk mocht je als de preek begon de kerkbanken uitlopen om bij de kindernevendienst Bijbelse taferelen te knippen en plakken. 
  • Wij zeiden ‘u’ tegen onze ouders. De Harsveldjes ‘je’-den en ‘jou’-den en spraken hun ouders zelfs met de voornaam aan. 
  • Mijn vader was dominee, vader Harsveld vertegenwoordiger. Elke dag ging hij, ‘oom Wim’, in een net pak met zijn glimmende auto de weg op om dingen te verkopen. Behang? Stropdassen? Tegen etenstijd kwam hij thuis en vlogen zijn kinderen op hem af alsof Jezus zelf was teruggekeerd op aarde en zette hij de stereo hard om op wereldse liedjes met ze te hossen. Mijn vader was ook wel eens weg, maar zat een groot deel van de tijd in een oud vest met pantoffels aan zijn voeten op zijn studeerkamer. Als we een nietmachine zochten of een lekke band hadden, liepen we gewoon even naar boven. Bij ons geen wereldse liedjes, maar Radio 4. 
  • Terwijl mijn moeder stiekem koekjes snoepte  en bij hoge uitzondering lippenstift op deed, at tante Frieda crackers met schijfjes komkommer en tomaat, had een abonnement op kapper en schoonheidsspecialist en pikte moderne trends zoals sierpompoenen in de vensterbank razendsnel op. 

Belofte

Ik zorgde meestal dat ik weg was voor oom Wim/Jezus thuis kwam. Het was een joviale, expressieve man, niet iemand die een onbekende omgeving eerst voorzichtig af zou tasten, zoals mijn eigen vader. Maar die ene vrijdag ging ik naar ze toe, ook al wist ik dat hij elk moment thuis kon komen. We gingen verhuizen. Ik wist het nog maar net en klampte mij vast aan de belofte van mijn ouders, ooit, dat ik een hond kreeg als we op het platteland woonde. Middenin het vragenuurtje kwam oom Wim thuis. Alsof er niks aan de hand was, vloog Marja naar hem toe. 
‘Oei. Noord-Holland, vlakbij Amsterdam. Daar ruikt het naar hasj’, zei de wereldreiziger. 
Ik keek naar hen, alsof ik al weg was. Hun wereld draaide door zonder mij. 

Broertje ipv hond

Een jaar en vele brieven later logeerde ik bij de Harsveldjes. Ik kon de week daarvoor niet slapen, zo graag wilde ik terug naar Assen, want in Rozenburg (NH) huilde de wind om het huis. Maar je kunt nooit terug, heb ik toen geleerd.
Marja was net haar moeder geworden. Ze had inmiddels borsten, gaatjes in haar oren en huiswerk. Eén van hun cavia’s was dood. Ik had geen hond gekregen, maar een nieuw broertje. Wij leken in niets meer op elkaar.


Vorig bericht Volgende

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Cancel Reactie plaatsen