folder Opgeslagen in Troostkoper
Ik ben een niche en hou van vileine personages
Suzanne Brink comment 0 reacties access_time 5 min leestijd

Laatst las ik in een interview met literatuurrecensent Rob Schouten: ‘Er verschijnen in Nederland maar vier of vijf goede boeken per jaar.’
Goh, dacht ik. Geef me die titels en ik ben klaar. Toch?
Ik tob namelijk wat af. Ik had een slechte maand. Het ene na het andere boek hield ik na een hoofdstuk of twee voor gezien. Misschien was ik in een zeikerige stemming. Kan best. Een boek lezen lijkt op daten. (Qua wat ik erover lees. Ik heb al in geen miljoenen jaren gedated dus put niet uit ervaring.) Soms is een verkeerde emoji in een app al een afknapper, of een losse veter, een melksnor of een woord dat met de verkeerde klemtoon uit wordt gesproken.

De zoveelste zuipende man

Boeken kunnen om veel redenen vervelend zijn:

  • Plechtig proza met veel historische context, Literatuur met hoofdletter, vaak prijswinnend
  • Knap geschreven, keurig boek, geen woord te veel
  • Zouteloze, liefelijke, lauwe pap
  • Spanning als een trucje, doorzichtig naar het plot geschreven
  • Bolstaand van de ambachtelijke beschrijvingen van een interieur, appelboom, ontluikende bloem, koffiegeur of silhouet
  • Irritante hoofdpersonen zoals de zoveelste zuipende man met denigrerende beschrijvingen van de vrouwen die hij neukt
  • Mooischrijverij waarop overduidelijk geploeterd is
  • Te veel uitleg over een ritueel uit een andere tijd of een ander land

Meesterwerken verwijderen

Vroeger vond ik dat ik boeken koste wat kost uit moest lezen om te weten te komen waarom het zo’n meesterwerk was en prijzen had gewonnen. Ik moest het mezelf vooral niet te makkelijk maken. Daar ben ik overheen gegroeid. Ik vertrouw niet meer blind op canons en lijstjes. Mijn tijd is te kostbaar om het te vergooien aan favoriete boeken van experts met een andere smaak. Ik vergaar nu tips uit kranten, de VPRO en tijdschriften, kijk of ik die als e-book via mijn Kobo plus-abonnement of onlinebibliotheekabonnement kan lezen en voel me volledig vrij om die van mijn ereader te verwijderen als ik vind dat ik het boek/de schrijver genoeg kansen heb gegeven. (Als ik een boek buiten die kanalen per se wil lezen koop ik het natuurlijk, lieve boekverkopers.)

Dit zijn een paar boeken waar ik gelukkig van werd:
Opnieuw Olive Kitteridge – Elisabeth Strout
De vriend – Sigrid Núñez
De wand – Marlen Haushofer
Amerikanah – Chimamanda Ngozi Adichie 
Het mooiste verhaal over mijn familie – Nelleke Zandwijk
Faxen aan Ger – Nicolien Mizee
Schoonheid is een vloek – Eka Kurniawan
Mijn jaar van rust en kalmte – Ottessa Moshfegh

Groot fan van vileine personages

Tien jaar geleden had ik een Coetzee-periode, maar zijn laatste boeken zogen me niet mee. In de Correcties van Jonathan Franzen verdronk ik destijds, maar toen ik het wilde herlezen kwam ik er niet meer in. Verder heb ik lyrische herinneringen aan het driedubbeldikke Max, Micha en het TET- offensief van Johan Hartstad, hoewel ik het hink-stap-sprong heb gelezen. Als ik merk dat ik meer oversla dan lees weet ik dat ik beter naar een ander boek uit kan zien, maar tussen de overgeslagen stukken was het boek van Harstad erg de moeite waard.
Ik hou van boeken waarom ik nu en dan moet glimlachen, personages met vileine gedachten, van scherpe beschrijvingen van dagelijks gemodder, bijvoorbeeld van wat er gebeurt als iemand naast een ander op een bank gaat zitten, van de kloof tussen wat je hoort te vinden, denken en voelen en wat er werkelijk in mensen omgaat. Ik hou van een boek als een ontmoeting met een openhartig persoon die je beter leert kennen dan wie ook in het echte leven.
Zoiets.
Ik zou veel kunnen hebben aan een boekverkoper die mij beter begrijpt dan ikzelf en mij boeken aan kan bevelen van schrijvers die nooit de kranten halen.

Een vrouwelijke niche en je-weet-wel-kat op het balkon

Als je vader geen kranten weg kan gooien

Op een zonnige, maar sombere dag in coronatijd luisterde ik op het balkon op mijn vrij nieuwe koptelefoon het interview van Eus, Onze man in Deventer, met Micha Wertheim.
Ik heb Micha Wertheim nooit live gezien omdat ik bang ben om tussen mensen te zitten die eerder en harder lachen dan ikzelf, maar ik hoor hem graag. Hij haalde me die dag zelfs uit het slop. Wertheim zei: ‘Ieder mens is een minderheid’ en ‘Ieder mens is een niche.’ Dit als reactie op Eus die vertelde dat hij veel Joodse vrienden had en vroeg of Micha zich als Jood ook meer thuis voelde tussen andere minderheden. Micha: ‘De vader van een vriend van mij is een hoarder. Hij kon geen kranten weggooien. Als je opgroeit in een huis dat vol is gestouwd met uitpuilende vuilniszakken ben je ook een minderheid.’
Hij zei ook dat als de publieke omroepen programma’s schrapte omdat de doelgroep te klein was, dat uiteindelijk voor iedereen tot verschraling leidde. Ja!, schreeuwde ik op het balkon.

Je eigen canon

Daarna luisterde ik de documentaire Andreas Burnier of hoe je op een klein vlot blijft drijven. Uitgangspunt: waarom gaat het in de literatuurgeschiedenis nooit meer over Andreas Burnier, hoe komt het dat zij grotendeels vergeten is? Documentairemaakster Nikkie Dekker onderzoekt hoe een canon tot stand komt en zet zelf een vragenlijst uit om een alternatieve canon op te stellen. Frappant is het verschil tussen het antwoord op de vraag: welke auteurs zijn specifiek voor jou belangrijk geweest? En: Welke 10 auteurs zijn het belangrijkst geweest in de literatuurgeschiedenis? Er zit weinig overlap in die antwoorden.

Gister ben ik begonnen in Het jongensuur van Andreas Burnier. Ik denk dat ik het uit ga lezen.

Geef een reactie