folder Opgeslagen in Troostkoper
Geen ruiter te bekennen in de Ruiterkamer
Suzanne Brink comment 0 reacties access_time 2 min leestijd

De serre zat vol. Er was alleen nog plaats in de ‘ruiterkamer’ van Hotel De Wolfsberg in Groesbeek.
Het was een Gooischevrouwenhotel. Veel zonnebrillen in lange geblondeerde haren, MG’s en sigaren. Wij kwamen met onze wandelklompen binnen, maar dat was dus niet de reden dat we voor het diner in een achterafkamertje werden weggestopt (denken we).
Erg frans, vonden W. en ik.
Er stonden maar drie tafeltjes. We vroegen of we bij het raam mochten zitten. ‘Nou’, zei de serveerster, ‘eigenlijk zouden andere mensen daar al zitten, maar die zijn er toch nog niet. Doe maar. Als ze protesteren kunnen we altijd nog zien.’
H. zocht een ‘kelderwijn’ uit. Ze was benieuwd hoe die kelder eruit zag. ‘Kom maar kijken’, zei de serveerster en dat liet H. zich geen twee keer zeggen.
Ze heette Linda, onze serveerster, en haar neus was stuk. Toen ze onze wijn bracht bekende ze: ‘Ik ruik niets en ik proef weinig. Ik proef het verschil niet tussen erwtjes en sperziebonen.’
Later vertelde ze dat ze ooit met haar opgestoken haar in het uit de kluiten gewassen bloemstuk achter W was blijven hangen.
Ze bracht aan de lopende band heerlijke dingen (waar wel altijd asperges inzaten, alleen de koffie was zonder) en op onze nieuwsgierige vragen naar het groepsgezang elders in het hotel vertelde ze met vuur schandalige verhalen over het 50 jaar getrouwde echtpaar met hun liederlijke kleinkinderen.
Wij lachten en zij lachte. Wij lachten harder dan wie ook in het hotel, wat vast ergerlijk was. Vlak voor ze wegging kwam ze met haar jas al aan nog even speciaal naar ons toe om een goeie avond wensen.
De dag erop, na een stevig ontbijt, liepen we ‘Linda, Linda, Linda’ zingend naar Nijmegen.

Laat weten dat je dit leuk vond!

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: