folder Opgeslagen in Van alles
De enige kamperende Afrikaan in de wereldgeschiedenis
Suzanne Brink comment Een reactie access_time 5 min leestijd

Een loeizware rugzak en een extra tas. Dat wilde S. allemaal in het vliegtuig meenemen en van camping naar camping dragen. Ik kon hoog en laag springen. Ik was de ervaren kampeerder, voor hem was het de eerste keer. Waarschijnlijk was hij de enige Eritreeër in de hele wereldgeschiedenis die vrijwillig, zonder dat oorlog, armoede of dictatuur hem daartoe dwongen, in een tent sliep. S. deed zijn stinkende best om zo ‘gewoon’ mogelijk zijn. Dat wil zeggen zo Nederlands mogelijk.  

Sprookje
Onze relatie berustte op een misverstand. Ik was de enige vrouw van mijn studie antropologie die nog nooit iets met een Afrikaan had gehad. Ik dacht aan een humoristische West-Afrikaan uit de boekjes die van de ene vrouw naar de andere huppelde, maar S. was een christelijke Eritreeër met maar twee vrienden in Nederland, en een paar onthechte, stuurloze, stiekeme zusjes, net als hij gevlucht, die hij als man moest beschermen. Een oudere zus (die haar huid al jaren bleekte) was doodongelukkig in Saoedie Arabië en een oudere broer scheen aan de drugs te zijn geraakt. Mijn eigen leven was vergeleken bij dat van hem een sprookje. Ik was goed opgeleid, rijker, kende de weg, was op mijn plek. Daarom moest ik ook maar een beetje mijn mond houden.

Strafkamp
Het akelige was dat mijn vrienden en familie S. alleen van zijn zachte, keurige kant kenden. Tegenover mij was hij veeleisend. Hij dwong de kampeervakantie in Portugal af. Ik betaalde het meeste. Hij wilde per se op vakantie want iedereen op zijn werk ging ook op vakantie. Zelf wist ik van tevoren al dat een week lang vierentwintig uur per dag met hem samen zijn een strafkamp was. Ik was om drie redenen bij hem. 1. Het was vleiend zo belangrijk te zijn voor iemand. 2. Ik voelde me schuldig dat ik zo’n makkelijk leven had. 3. Ik zag er tegenop om vrijgezel te zijn.
Maar ik was niet bij hem omdat hij mijn grote liefde was, zodat ik onze cultuurverschillen voor lief zou proberen te nemen. Hij was geen kennis met wie ik nu en dan in de kroeg zat en kon lachen om onze verschillen. Mijn geld was zijn geld, vond hij, zoals zijn geld ook het geld van zijn zusjes was. Onbesneden vrouwen vond hij onhygiënisch. Zijn zusjes mocht ik niet vertellen hoe oud ik was, want die twee jaar dat ik ouder was dan hij zouden onoverkomelijk zijn. Zijn zusjes die mij, als ik met ze alleen was, vertelden dat ze rookten, rare vriendjes hadden die geile boodschappen in hun telefoon inspraken – ‘Moet je horen’ – maar dat mocht ik allemaal niet aan hun broer vertellen.

Verwend
Zoals zoveel vluchtelingen kwam S. uit een welgestelde familie met aanzien. Hij was een belofte geweest, verwend. Toen wel. Tenniskampioen, goed op school. Ze hadden een groot deel van hun leven in Ethiopië geleefd, Addis Abeba. Ze hadden nog nooit in een bus of trein gezeten voordat ze in Nederland kwamen, reisden met een taxi. Hij was gewend zijn zin te krijgen. Als ik iets anders wilde dan hij, werd hij woedend, deed of ik gek was. Als dat niet hielp, zweeg hij.
Dat was ook wat er in Portugal gebeurde. Ik had durven twijfelen aan zijn conclusie dat een paar Portugezen hem uit racistische motieven omver wilden lopen. Hij zweeg een middag, avond en een nacht. Hij droeg mijn paspoort bij zich, had de vliegtickets. ‘s Nachts overwoog ik mijn spullen uit zijn broekzak te halen, maar ik was bang voor wat er gebeuren zou als hij wakker werd. Voor het eerst in mijn leven kon ik me voorstellen dat vrouwen door hun vriend mishandeld werden en toch bij hem bleven. S. liep constant over mijn grenzen heen en toch lag ik hier in Portugal met hem in een tent.

Reguliere scheidingen
Nog een paar dagen, nog één dag, eindelijk vlogen we terug naar Nederland, naar de vrijheid, mijn eigen appartement. Een paar maanden erna durfde ik de relatie dan toch te beëindigen, hoewel ik bang was om hem achter te laten bij die twee vrienden die hij eens in het jaar zag en die zussen waarmee altijd wat was. (Eén van hen was inmiddels zwanger van haar vriend, die geen verblijfsstatus had. Er was ook een medisch probleem. De dag van de bevalling naderde en ze weigerde haar benen te spreiden. Spreiden was een fysieke onmogelijkheid geworden.)
Later heb ik nog wel eens vluchtelingen geholpen met het vertalen van dingen.  Weer dat schuldgevoel, bezwaard dat ik mensen niet gelukkig kon maken en dat eerlijk gezegd ook niet wilde proberen. Ik kon alleen maar denken dat het ongelooflijk erg was wat ze meemaakten. Het waren geen vrienden met ‘akkefietjes’ als reguliere oudersterfte, scheidingen en ziektes. Het waren mensen met wie ik alleen maar een verhouding hulpverlener-hulpbehoevende kon hebben en daar werd ik ongelukkig van. Ik wil geen grenzen hoeven bewaken en overspoeld worden door het grote. Ik ben beter in het kleine. Laat mij maar oude vrouwtjes de straat over helpen en afval scheiden. Geef mij maar het dagelijkse leven in Iran via Onze man in Teheran. Ik wil niet met zijn allen schrijven en praten over dood, aanslagen in Parijs en vluchtelingen in Griekenland, ik wil schrijven over kattenbakken, ventieldopjes met legohoofden, truffelchocola en versleten schoenen. De wat kleinere ingangen tot de geheimen van het leven,  zal ik maar zeggen.
Die mensen moet je ook hebben.

S. heb ik jaren geleden eens van een afstandje op de Parade gezien. Hij danste, zag er gelukkig uit. Hij leek zich prima zonder mij te redden. In elk geval was hij niet slechter af dan mét mij.

Geef een reactie