Geesten op Bali

Staren naar wierrookstokjes

Met een bloemetje tussen onze vingertoppen staarden we naar gewijde wierrookstokjes en de donkerte tussen de takken van een waringinboom. Ik hoorde mezelf slikken, ik hoorde R. zijn keel schrapen. Het klonk te hard. Ongepast. Rondom ons stonden in zwart/witgeblokte doeken gewikkelde stenen beelden met uitpuilende ogen. In mijn ooghoeken zag ik de silhouetten van twee oude Balinese mannen en de Nederlands-Zweedse Ben. We droegen allemaal een sarong. 

Huisspook 

Een buitenkans was het. Dit was waar je culturele antropologie voor studeerde. Als gewone toerist maak je dit niet mee. We hadden dit aan Ben te danken. Ben was de mede-oprichter van een Zweedse club van wereldverbeteraars die op Bali een ontmoetingsplek had gesticht waar Europeanen kennis konden maken met spiritualiteit. Hij woonde in het hart van de compound, waar wij iets verderop ook verbleven, boven een open zitgedeelte, waar tweemaal daags het eten werd geserveerd en feesten werden gehouden. In het huis van Ben woonde trouwens ook een spook, maar het was geen kwaaie. Ben: ‘Ik zeg er van tevoren nooit iets over, maar als iemand in mijn huis slaapt, heeft hij altijd een ontmoeting met het spook. Laatst een Engelse professor. Ze vroeg zich af hoe die grote kat nou binnen was gekomen.’  

Op de betonnen vloer lagen oranje-rode tegels met rieten matten en er stonden stoelen en banken van bamboe. 

Sumoworstelaar

Ben was zestig jaar oud, een rustige man met een wijze uitstraling. Hij sprak vloeiend Indonesisch. Doorlopend kwamen mensen het erf op om hem raad te vragen. We hadden hem zelden voor ons alleen terwijl we zoveel vragen hadden. Wie waren die mensen op het erf? Konden ze het goed met elkaar vinden? Hoe moesten we omgaan met Pak Oka, een man met het postuur van een sumoworstelaar die het terrein beheerde en het grootste deel van de dag intimiderend zwijgend in kleermakerszit voor zich uit zat te kijken? 

De hallucinerende man en Ben

Die avond waren we met de twee oude Balinezen bij Ben in de auto gestapt met een prozaïsch muziekje op de radio en naar een tempel gereden. In een van de twee mannen was een kwade geest gevaren die op de een of andere manier uitgedreven moest worden. De andere was een priester.
De zieke man had hallucinaties. Hij was er ooit van beschuldigd dat hij zijn vader wilde vergiftigen en was uit het dorp verbannen. Hij zou door vijanden zijn belaagd die hem zijn land af wilden pakken. ‘Wie dan?’, vroeg Ben. ‘De bedreiging zal als een boemerang naar hen terugkaatsen.’ 

Het duurde en het duurde maar. Ik had heel veel zin in toastjes met Brie en een goed glas wijn. 

‘Willen jullie iets zeggen?’, vroeg Ben in het Nederlands. 

Ik schudde mijn hoofd, maar R. zei, weer veel te hard: ‘Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik heb nog nooit eerder in een bos naar twee wierookstokjes zitten kijken.’ 

‘Hmmm’, zei Ben. Hij concludeerde dat op deze plek niets was. Geen goede of kwade geesten. We sjouwden door het bos terug naar de auto, haalden nieuwe offerandes en wierook, en reden naar een andere tempel waar het hele ritueel zich herhaalde. 

Dat moet geholpen hebben. 

De dag erop kwam de zieke man weer bij Ben langs. Het ging veel beter met hem en hij verkneukelde zich bij de gedachte dat de bedreigingen keihard terug zouden komen bij de tegenpartij. 

Ben tekende voor mij een zonsondergang en ik maakte een tekening voor hem van de hallucinerende man. ‘Je moet weer tekenen,’ zei hij. ‘Je bent een kunstenaar.’ 

‘Je moet het spel meespelen’, zei hij ook. 

Maar de opmerking waar ik het meest aan gehad heb is: ‘Je bent vrij als je weinig nodig hebt.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *