In het openbaar zeggen dat je dagboeken schrijft, is dat handig als je geen Barack Obama, Virginia Woolf of Gerbrand Bakker heet? Of is het gewoon desastreus voor iemand die romans schrijft? Makkelijke inkopper voor de recensent: het is net een dagboek. Dat is echt nooit een compliment. Je laadt toch de verdenking op je dat je emotioneel lek bent.
Te laat.

Een paar weken geleden werd ik geïnterviewd over dagboek schrijven door F. voor Trouw. (Nog even discreet mee omgaan.)
Ik ben eerder geïnterviewd. Ik ben bijvoorbeeld ooit stijlvol-verantwoorde-regenkleding-expert bij de Fietsersbond geweest en haalde vele kranten en tijdschriften met mijn spraakmakende citaten. En rond het verschijnen van mijn debuutroman heb ik een paar interviews gegeven. Maar dat is lang genoeg geleden om te vergeten hoe het is.
Klagen over komma’s
Anderen interviewen doe ik vaker. Dan denk ik er zelden over na dat mensen aan me over zijn overgeleverd. De ene geïnterviewde kan daar beter tegen dan de ander. Mijn ervaring is dat wetenschappers het lastigst zijn. Die herschrijven leesbare zinnen tot een onnavolgbare woordenbrei. Ik heb ook weleens een heel ontevreden kunstenaar te pakken gehad. Die achtervolgde de eindredactie van het blad waar ik voor schreef wekenlang met vragen en klachten over komma’s.
Zo wil ik dus niet zijn. Ik ben een volwassen vrouw die zelf ook de hele dag onnavolgbare keuzes maakt over wat wel en niet in het magazine van de Fietsersbond komt en wat niet.

Literatuurderig schrijven
Het was een prettig gesprek in Teams. Ik had wel de hele dag over dagboeken kunnen praten. Ik had er van tevoren over nagedacht. Ik anticipeer fulltime op de lulligste dingen die komen gaan, dus op dit interview zeker. Dagboek schrijven, realiseerde ik me, is de kern van mijn bestaan. Het is persoonlijke hygiëne. Het is schetsen in een kladblok. Geen paniek als het geen likes oplevert. Het hoeft niet mooi. Het moet eruit. Als ik dat niet doe ga ik literatuurderig schrijven: in de derde persoon, over mensen die langs betekenisvolle bomen lopen en ‘denkramen weven van humaniteit met eilandjes van borsten, billen en buiken.’ Citaat uit stokoud eigen werk.
Ian McEwan
Pas had Ian MacEwan het in een interview in de NRC naar aanleiding van zijn roman Wat we kunnen weten over dagboeken:
Heeft u, naast die werknotitieboeken, eigenlijk dagboeken bijgehouden?
„Ooit wel. Tot een jaar of twintig geleden had ik een ongecompliceerde verhouding tot mijn dagboek, het was iets dat volledig voor mijzelf was, maar toen werd ik iets bekender, iets meer een publiek figuur, en toen verloor ik mijn onschuld en daarmee ook mijn interesse.”
U verloor uw onschuld? Was u niet eerlijk meer in uw dagboek?
„Dat vermoed ik, want ik merkte dat ik steeds verzorgder ging schrijven, alsof er iemand over mijn schouder meelas – wat prima is als je romans schrijft, dat houdt je scherp. Maar hoe dan ook: wat ik in oude dagboeken heb teruggelezen, was doodsaai. Ik beschreef een droom die ik had gehad – oh, fuck off! Ik wilde van de jonge McEwan weten wat hij dacht, wat hij las, met wie hij zich omgaf, wat hij deed op een dag. Niet wat hij dróómde. Ik ben maar kort freudiaan geweest.”
Altijd maar trouwen
Over teruglezen ging het interview met F. ook. Ik doe dat meestal als ik wil weten hoe iets nou precies gegaan was. Hoe zag dat ziekenhuis eruit? Wat voor mensen zaten er in de wachtkamer? Wat hing er aan de muren? Maar dat staat er niet in. Ik ben vaak net zo teleurgesteld als Ian McEwan (mijn nieuwe soulmate) in wat ik opschreef.
En teleurgesteld in wat ik fotografeerde. Laatst wilde ik weten in welke Ierse B&B wij hadden geslapen toen we een paar eeuwen geleden de Wicklow Way liepen. Ik dook daarvoor in oude fotoboeken en op 90% van de foto’s blijk ik te trouwen of wijn te drinken.
Het belangrijkste wat ik heb geleerd in vierenveertig jaar dagboek schrijven is dat mijn geheugen een groot zwart gat is en dat ik gek ben op dagelijks leven. Ik lees liever terug van wat voor bord iemand at, hoe een vriendin ongelijke stukken chocola verdeelde en welke tips oud-collega’s tijdens de lunch voor de bikinilijn uitwisselden dan over vergaderingen met belangrijke bekende mensen – o nee, die heb ik niet – of over relatiegezeur.
Want soms moet ik bij teruglezen toegeven dat de ander best een punt had.
De mensheid zal nog van mij horen van Joris van Casteren

Schrijver Joris van Casteren trof in het Dagboekarchief een paar mensen die vooral in hun dagboeken bestonden. Mensen die aan de buitenkant een heel ander leven hadden dan in hun dagboeken. Sommigen haten vooral zichzelf, de rest vooral de Anderen. Je leert ervan dat mensen die veel in dagboeken schrijven meestal niet de gelukkigsten zijn. Ik wel natuurlijk. Ik wel. Ik moet er alleen niet te veel in teruglezen.
In Trouw op 18-10-2025
Hele artikel is hier te lezen.
