folder Opgeslagen in Troostkoper
Lieve Heer, ik zal voortaan twee keer per week stofzuigen
Suzanne Brink comment 0 reacties access_time 4 min leestijd

In principe blijf ik verre van zelfdestructieve wezens. Voor je het weet ga je je aan ze hechten en loop je achter hun kont aan om te voorkomen dat ze te veel roken en drinken, onder een trein lopen of gif eten. Dat kan al je tijd opslorpen. Al het andere verdwijnt erbij in het niet. Maar je komt er vaak te laat achter wat je in huis hebt gehaald.

Vorige week zat ik op de koude stenen van een wildvreemde tuin, honderd meter van mijn eigen huis, naast een blikje tonijn te wachten tot het wezen wat wij Edje noemen, tot inzicht kwam. Ik probeerde mezelf gerust te stellen: nu ja, dan gaat hij de vernieling in en sterft. Er zijn ergere dingen.

Er zijn geen ergere dingen.

Edjes beslisboom

Hoe ziet de beslisboom van zo’n kat eruit? Hij had vaker foute beslissingen genomen in zijn leven. Eén keer met bijna fatale afloop waarna hij door iemand net op tijd uit een greppel is gevist en naar het asiel in Oss is gebracht, waar wij hem vandaan hebben gehaald. Hij zat onder het ongedierte, zijn vacht was geel en schurftig, het asiel had de handen vol aan hem gehad. ‘Mag niet buiten’, zeiden ze. Kwam goed uit, we hadden een catproof balkon.

Elf jaar later verkende hij onze nieuwe achtertuin voorzichtig. Keek minutenlang naar de schuttingdeur, neus in de lucht, of loerde vanonder een stoel naar de vogeltjes. Sprong niet op de schutting. Blij toe.

Als ik posters van vermiste katten zie, wil ik geen dieren meer.

Met terugwerkende kracht betreurde ik in die tuin de dag dat we Edje uit het asiel hadden gehaald.

De bokser en het bulletje

Ineens was hij de voordeur uitgeschoten, het plein op waar hij nooit eerder was geweest. ‘Edje psst, psst, psst, kom dan Edje.’ Flemend sprak ik hem toe terwijl ik in zijn tempo langs de tuinen achter hem aan liep. Zijn buik sleepte over de stenen, schichtig zocht hij een plek om te schuilen, maar alle tuinen waren afgeschermd door hoge schuttingen. In een steeg dook plotseling een bokser op. Mijn hart bevroor. Edje kan niet blazen. Edje mist een basisopvoeding. Zijn moeder heeft er een potje van gemaakt.
Goddank vond de hond er niks aan en volgde zijn baas terwijl ik Edje achterna ging, een tuin in die niet door een schutting maar door een ijzeren hekwerk was omheind.

Twee uur zat ik daar. De bokser woonde er, maar er stormde ook ineens een bloedlink bulletje de tuin in. ‘Die is van mijn schoonouders’, zei de bewoonster. ‘Hij is ooit door een kat gegrepen en kan hun bloed nu wel drinken.’ De bewoonster moest weg. Ik hoopte dat ik er niet meer zitten zou als ze terugkwam, maar zag het somber in.
Van het optreden van het agressieve bulletje was Edje nog verder weggekropen in een chaotisch stukje tussenschutting met ijzerresten en steigerpijpen. Zijn ogen waren groot en zwart.

Sukkelig coronabestaan

Smeekbedemomentje. ‘Lieve Heer, ik zal voortaan twee keer per week stofzuigen als ons Edje maar weer veilig terugkomt.’ Normaal gesproken zit ik niet graag in andermans tuin, maar niets deed er meer toe. Mijn werk kon me gestolen worden. Prima als ik zou doodvriezen. Jammer als ik niet op tijd terug was voor de boodschappenservice van Picnic.

Toen de vakkundige dierenambulance (hulde!) Edje eenmaal had gevangen en hij zich midden in de woonkamer schijnheilig zat te wassen, was ik radicaal los gerukt uit mijn sukkelige coronabestaan met minizorgjes. Ik wist weer waar het leven om draaide: om ziekte en dood en het onherroepelijke afscheid van alles en iedereen.

Even dan. Inmiddels ben ik weer druk met lekke regenlaarzen, een gemist telefoontje, penvullingen, schimmel en een blaar op mijn hiel. Stofzuigen ho maar.

Hoog tijd voor een bezoek aan een museum met niet-destructieve ontsnappingskunst.

Geef een reactie