8. Kaart voor bondgenoot R.

Vrouwen van boven de vijftig redden de wereld, dacht ik nog geen zes dagen geleden. Jonge mannen rijden je omver en jonge vrouwen zijn druk met elkaar, over oude mannen hoeven we het niet eens te hebben, maar vrouwen van 50+ groeten altijd zo aardig en doorleefd.

Toen werd het woensdagavond. Maanden geleden had ik me opgeven voor een leesclub in de wijk. Het leek me wel wat, zo’n leesclub met intelligente gesprekken á la Boeken FM op nog geen zeven minuten fietsen van mijn huis. 
Ik kwam alleen niet door het boek heen dat besproken zou worden, De god van kleine dingen van Arundhati Roy. Ik strandde op twintig procent. Ik zou wel gewoon luisteren en hopen dat het boek voor de volgende keer me beter beviel. 

Geen volgende keer

De volgende keer. Maar die komt er dus niet. Dankzij Joke. 
Die avond was de leesclub in het appartement van een van de oude leden, Annabel. Ze waren nog maar met zijn vieren nadat twee leden af waren gehaakt. Drie nieuwe vrouwen, waaronder ik, kwamen kijken of het wat voor ze was. Allemaal behoorden we tot de groep vrouwen van middelbare leeftijd die meer lezen dan alle andere Nederlanders bij elkaar. De club mensen die vaak als publiek verguisd wordt, maar waar ik zo positief over dacht die week. 
Joke leek een beetje schuw. Ze ging aan de keukentafel zitten met haar handen op het boek voor zich op tafel en meer dan ‘hoi’ kwam er niet uit. We zaten koud aan de thee toen ze vertelde dat ze de club op had gericht uit onvrede met een andere leesclub waar het boek niet meer was dan een aanleiding om met elkaar te borrelen en olijven te eten. Een andere oudgediende vulde aan: ‘Ik heb al genoeg vriendinnenclubjes.’ 
Voor de vorm deden we toch een kennismakingsrondje.

R. trapte af als nieuw lid. Ze vertelde dat ze gepensioneerd was, maar zo gek op haar werk, dat ze het een paar dagen in de week bleef doen. 
‘Waar?’ wilde de andere nieuweling weten. 
Joke onderbrak R. midden in een zin. ‘Zullen we het kort houden’. 
Bedeesd vervolgden wij het rondje. 

Let op je hoofd

Joke zat naast mij onder de lage wandkastjes waarvoor de gastvrouw ons gewaarschuwd had. Als je opstond, liep je het risico je hoofd te stoten. Zat op de punt nou een opgedroogde bloedvlek?
Gastvrouw Annabel had de avond voorbereid en deelde een A4-tje uit met vragen over bijvoorbeeld de personages, of ze zielig of onsympathiek waren, en de betekenis van de titel. Over de rol van het kastensysteem in India waren de meningen verdeeld. R. kreeg het aan de stok met Joke omdat R. Indiërs kende die zeiden dat je tegenwoordig makkelijk met iemand van een andere kaste kon trouwen en Joke andere Indiërs kende volgens wie dat absoluut niet kon. 
Joke zei twee of drie keer dat ze niet van herhalingen hield en in De God van de kleine dingen zaten herhalingen over vlinders en een kuif van een van de hoofdpersonages. 

Draken van zinnen

‘Maar wat vind jij?’, vroeg de gastvrouw aan mij. Ik had drie chocolade paaseitjes gegeten en de glimmende folies zorgvuldig gladgestreken. 
Ik vond niet zoveel, maar kon wel een paar draken van zinnen voorlezen die ik had genoteerd? 
Joke wisselde een blik uit met een oudgediende naast haar. 
Ik las voor: ‘Ze vroeg zich af waarom haar gedachten aan thuis altijd de kleur droegen van het donkere, geoliede hout van boten, en van de lege kernen van de vlammentongen die flakkeren in een koperen lamp.’ 
‘Jij houdt zeker ook niet van Gabriel Garçía Márquez?’, zei de gastvrouw. Dat vond ik een hele grote vraag.
Joke: ‘Ik houd wel van dat soort taal. Ik hoef niet alles te begrijpen. Het neemt je mee naar India.’

Eindcijfer 

Na anderhalf uur moesten alle aanwezigen een cijfer geven voor het boek. Joke noteerde een vier van R, twee keer een zes, een zeven min en een acht. Mij vroeg ze er als laatste naar. ‘Een drie dan maar’, zei ik. 
Ze vuurde: ‘Je hebt het niet eens uitgelezen’. 
‘Ik kwam tot twintig procent, maar ik kwam er niet doorheen.’
‘Ja ja, dat weten we nu wel’. 
Ik keek opzij naar haar profiel met de naar beneden getrokken mondhoeken: ‘Zo, wat ben jij kattig.’
Ik had het gezegd. Ik had niet eens over de precieze formulering nagedacht. 
Joke bleef strak voor zich kijken. 
‘Ik moet zeggen’, zei R. ‘Dat ik mij wel herken in de woorden van Suzanne. Wij zijn hier nieuw. Ik voelde me overrompeld toen ik werd onderbroken bij onze introductie.’ 
Ook de andere nieuweling sloot zich hierbij aan. 
‘Waarom gaven jullie niet direct feedback?’, zei de oudgediende rechts van Joke. 
‘Joke is heel direct, maar dat is juist goed. Daar moet je aan wennen’, zei de vrouw links van mij. 
‘En wil je wel bij ons blijven?’, vroeg de gastvrouw. 
Ik schudde mijn hoofd. 
‘Ik zou het jammer vinden als je af zou haken,’ zei R. ‘Door wat jij zegt durf ik ook meer mijn mening te geven.’ 
Ik hoorde het gesudder van gesmoorde gevoelens. Plop, plop, plop. Ze hoefden nog maar even door te koken om tot ontploffing te komen. Maar dat ging die avond niet meer gebeuren. De gastvrouw was het zat. Er moest een nieuwe datum geprikt worden. Nooit heb ik zes mensen zo lang horen onderhandelen over een datum. Alleen daarom al was ik blij dat zij met elkaar verder moesten zonder mij. 


Net op tijd dacht ik aan de lage kastjes en verliet rond 21.34, amper vier minuten later dan gepland, zonder bloedvergieten het pand.
De volgende ochtend al om 7.30 had R. een berichtje in de appgroep gezet: ‘Ik heb er een nachtje over geslapen en toch besloten me terug te trekken. Een valse start maakt het vervolg ongemakkelijk, dat gun ik niemand en mezelf ook niet.’ 

De kaart: Strijd van Ineke Kanters

Over leuke 50+-vrouwen gesproken. De Utrechtse kunstenaar Ineke Kanters speelt met perspectief. In een interview met haar vertelde ze me: ‘Ik heb mijzelf nooit gezien als iemand die in een museum zou hangen of een prijs zou winnen. Heel kort misschien wel. Maar ik had die verwachting niet, misschien dat het daarom ook niet is gebeurd. Ik ben ook niet jaloers. Ik ben nu zeventig en als ik nu dood neer zou vallen ben ik heel erg tevreden met hoe mijn leven is gelopen. Voor mij is het belangrijkste dat ik dichtbij mezelf blijf en voeling houd met mijn werk. Het maken is het belangrijkste, dat het stroomt. Het is mijn kern. Ik hoorde iemand een vergelijking maken met nonnen. Die hebben ook een roeping.’
En: ‘Ik ben altijd kopschuw geweest, kan niet tegen afwijzing, ben een schijtlaars. Maar ik denk steeds meer: barst maar. Ik ben zelfstandig.’

Twee mensen in witte kleding staan met de ruggen naar elkaar toe en de armen verstrengeld op een tekening.
Ineke Kanters – Strijd

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *