Het balgevoel van Egbertje

‘Ruimtelijke vormgeving’ heette het, geloof ik. Niet mijn favoriete vak, want het was altijd heen en weer sjouwen met klei en water en dan weer hout zagen met splinters. Gedoe. We kregen les van Egbertje, een vrouw in aardetinten waarbij ik associaties met droogbloemen had. Voor een opdracht halverwege het basisjaar moesten we een kubus, rechthoek, piramide, bal, cilinder en kegel kleien. Als ze eenmaal droog waren, moesten we er drie ‘composities’ mee maken, die zij kwam beoordelen.

Verlichting
Ik schoof de kubus en kegel rond. Ging door mijn knieën, liep rond mijn tafel en gluurde door mijn oogharen, zoals ik geleerd had. Steeds meer medestudenten waren klaar en begonnen aan de volgende opdracht. Waren zij gek of was ik gek? Omdat verlichting uitbleef, schoot ik de docent aan, iets dat ik alleen in uiterste nood deed: ‘Ik zie het niet. Die vormen zijn zo hard en zo verschillend. Er is geen enkel verband tussen. Het lijkt volkomen willekeurig wat ik doe.’

Egbertje hoorde me rustig aan. ‘Kijk’, zei ze. ‘ Met mensen heb je dat ook. Die zijn ook heel verschillend. En toch praten ze met elkaar en gaan ze relaties aan.’

Radicaal
Meer zei ze niet, maar het was genoeg. Nooit eerder en nooit meer daarna veranderde de manier waarop ik naar de wereld keek zo snel en radicaal. Ineens zag ik wat er gebeurde als ik de cilinder naast de rechthoek legde. Het verschil tussen een rechthoek die stond en een rechthoek die lag.
Mijn topstuk werd een compositie waarin de cilinder en bal volkomen in elkaar opgingen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *