Leraar met aanwijsstok temidden van zwierige formules.

Alleen, dus kan wel dood

Ik moest gister aan onze kleine, ronde bakker met het rode hoofd van vroeger denken omdat ik een auto door grind hoorde rijden. Wij hadden lang voor Picnic en de thuisbezorgservice van de AH bestonden een bakker, slager en groenteman aan huis. De bakker kwam het vaakst en reed met zijn busje door ons grind voor hij de notabele treden van onze pastorie beklom en aanbelde. Toen ik me hem probeerde te herinneren, zat ik ineens in de klas bij meneer Lutterot. Nog zo’n kleine, ronde man met rood hoofd met een bijrol in mijn grandioze leven.

Levenslustige lussen
Meneer Lutterot gaf wiskunde en droeg bretels over geruite overhemden om zijn grote mosgroene broeken hoog te houden. Hij had een markant schoonschrift met waanzinnige lussen aan de g’s, f’s en h’s. Als hij iets uitlegde tikte hij met de aanwijsstok hard op het bord. Eén keer (vaker?) wilde hij verbergen dat hij bijna stierf van het lachen. Ik zie hem nog met een roder dan rood hoofd en een zakdoek tegen zijn mond gedrukt langs de ramen van het klaslokaal door de gang naar de toiletten snellen.
Nergens wordt zo hard en noodzakelijk gelachen als op de middelbare school.
Op een dag hoorden we tijdens de les natuurkunde dat meneer Lutterot was overleden. Ik geloof dat hij een hartaanval gehad had. De eerste die iets zei was Renate: ‘Hij was toch alleen. Dan kun je wel geschokt kijken, maar dat is toch zo.’
Wij hadden daar niet van terug. Nog steeds heb ik daar niet van terug. Ook niet als een mij totaal onbekende vrouw om het leven komt en iemand die net zo onbekend is met de vrouw betekenisvol zegt: ‘Ze had drie kinderen.’

Stemmen over de dood
Gelukkig wordt er niet democratisch gestemd over wie het eerst dood moet. Maar als ik zou mogen stemmen vind ik dat chagrijnige mensen die elke dag collega’s en passanten een rotgevoel geven met hun katterige opmerkingen, een paar jaar korter zouden moeten leven dan een kleine, ronde wiskundeleraar met een rood hoofd en een zwierig handschrift, die ongepast hard moet lachen om een pubergrap. Ik kan erbij verzinnen dat hij misschien een eveneens vrijgezelle broer had met wie hij heel close was en dat die broer geen dag meer gelukkig is geweest na de dood van meneer Lutterot, terwijl die kinderen van die onbekende vrouw vast nog een erg leuk leven krijgen.
Of dat hij actief was in een schaakclub en toernooien organiseerde met verrassende prijzen waar de hele provincie naar uitkeek. Of om de dag voor zijn bejaarde buurvrouw en haar acht katten kookte. Of altijd zwerfafval opraapte. Of dat hij een kwart van zijn salaris aan schoolgeld voor arme kinderen gaf. Of een tuin onderhield met wiskundige formules in de bloemperken waar elke dag wel iemand om moest gniffelen.
Maar dat hoef ik niet te verzinnen. De waarde van iemands leven is niet in lijstjes te vatten.

Op dit moment zijn er trouwens helemaal geen kleine, ronde mannen met rode hoofden in mijn leven. Het was een fase.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *